Het stort buiten. Een van de zoveelste buien deze dag. Ik staar door het raam naar buiten. De wind en druppels beuken genadeloos in op de bladeren van de boom. Het ziet er zo woest uit, dat ik wel afgebroken takken verwacht. De veerkracht van zo’n tak blijft mij echter verbazen; er is heel wat meer voor nodig om ‘m te breken.

Dezer dagen vraag ik mij af hoe ik mijzelf moet zien; ben ik een boom met afgebroken takken of zwiepen die van mij mee in de storm? De autistische burnout en het trauma wat ik blijk te hebben, lijken me te breken. Ik ben doodmoe en het kost me de grootste moeite uit bed te komen, laat staan de rest van de dag enigszins zinvol in te vullen. Tanden poetsen moet ik op dit moment blijkbaar zien als een overwinning.

Het maakt me woedend! Wat wil mijn lichaam nou?! Wat wil mijn hoofd?! Ik heb helemaal geen zin te blijven hangen in het verleden; ik wil door! Ik wil leven! Ik wil gewoon gewoon. Het lijkt er echter op dat ik eerst door mijn pijn heen moet; eerst echt herstellen. Eerst de tranen uit mijn verleden laten stromen.

Ik vind het door mijn autisme moeilijk om bepaalde verschillen te zien. Als ik iets niet zeker weet, dan ga ik 100% voor de andere kant. Niet per se ideaal, ik geef het meteen toe. Daarbij kan een mens niet altijd voor de volle 100% gaan. Waar ligt de grens? Wanneer moet ik ergens doorheen breken en wanneer geef ik ergens aan toe? Wanneer laat ik een pijnlijke opmerking voor wat het is en wanneer ga ik er tegenin? Wanneer heet iets zelfmedelijden en wanneer mag ik het zelfcompassie noemen?

Zelfcompassie. Hoe werkt dat? Geef ik dan niet juist toe aan mijn angst en pijn? Laat ik het mij dan niet volledig verstikken? Maakt het mij niet zwak? Of buig ik juist mee in de storm, terwijl ik anders zou breken?

“Ik ben vriendelijk, ik ben aardig, ik ben goed. Ik ben wie ik ben en ik doe zoals ik doe. Dat is voldoende.”